Wat eraan vooraf ging:

Na het bloedbad van Naarden was voor Alva Haarlem aan de beurt. De stad zou 7 maanden stand houden maar uiteindelijk zwichten voor de honger. De reputatie van de Spanjaarden, na het bloedbad van Naarden in Hollands al slecht, zou met de executie van meer dan 1.000 soldaten in Haarlem niet veel beter worden. De Hollandse steden waren bang, maar wisten ook dat men niet naar Spaanse beloften hoefde te luisteren. Tegelijk had het beleg van Haarlem ook aangetoond dat
Willem van Oranje geen garanties kon geven voor steun.

Alva wilde nu doorpakken. Met Haarlem op de knieën was het van belang snel de andere steden op te rollen, net zolang tot de steden zich vanzelf tegen de prins van Oranje zouden keren. Strategisch was de belangrijkste in het Noorden van Holland Alkmaar, tevens de grootste. Met Amsterdam, Haarlem en Alkmaar onder controle zouden de Spanjaarden een hele machtige positie innemen ten opzichte van Willem van Oranje. En daarom vertrok het Spaanse leger direct na de inname van Haarlem richting Alkmaar. Don Frederik, de zoon va Alva, was er vast van overtuigd dat Alkmaar zich niet zou weren, gezien wat er met Haarlem was gebeurd.

Het verhaal van het Beleg van Alkmaar:

Met de Spanjaarden in aantocht moest Alkmaar zich snel bewapenen en bevoorraden. Er werd veel voedsel ingeslagen, van militaire kennis was Alkmaar echter niet erg goed voorzien.
En op 13 juli stond er een geuzenleger voor de poorten van Alkmaar, klaar om de stad binnen te trekken. Het was een leger van 800 geuzen onder leiding van Jacob Cabeliau en Nicolaas Ruychaver, mannen die met Lumey ook Den Briel hadden veroverd.
Alkmaar, dat slechte ervaringen had met het inkwartieren van legers, moest hier lang over nadenken. Maar het was burgemeester Floris van Teylingen die het verlossende woord sprak. De geuzen werden toegelaten, mits zij zich konden gedragen. Alkmaar begon in overleg met de geuzen bolwerken in te richten en de stad te versterken.

De Spanjaarden hadden een eigen probleem. De Spaanse soldaten hadden al lang geen soldij gekregen en wilden niet vechten, en gingen ongedisciplineerd op plundertocht. Het muiten begon op 29 juli. Daarvoor moest Don Frederik zijn opmars staken en eerst in Haarlem en later in Amsterdam extra geld zien te krijgen. Dit had hij pas op 5 augustus voor elkaar, en daarmee had hij kostbare tijd verloren.

Op 21 augustus was het zover. Spaanse vlaggen werden vanuit de stad gezien, en de Spanjaarden begonnen met het veroveren van bolwerken en strategische punten rondom de stad. De Alkmaarders verzetten zich moedig, maar konden net voorkomen dat de stad uiteindelijk geheel omsingeld werd. Om de aanvoer van voorraden over water te voorkomen lieten de Spanjaarden een schip zinken op het punt waar de ringvaart binnen gevaren werd.

Alkmaar lag in een bijzonder waterrijk gebied, de binnenmeren als Schermer, Beemster en dergelijke waren immers nog niet ingepolderd. Maar de Spanjaarden konden, in tegenstelling tot Haarlem, Alkmaar geheel omsingelen. De aanval kon vanuit elk punt komen.
Don Frederik besloot om kanonnen naar Alkmaar te laten komen. Dat vertraagde weer enkele weken.

Ondertussen zag Cabeliau dat het voor Alkmaar erg moeilijk zou worden. Hij moest op een of andere manier in contact komen met Sonoy, de stadhouder van de prins in Noord Holland. Sonoy zat op dat moment in Schagen, ten noorden van Alkmaar. Hij besloot op 23 augustus een brief te schrijven, waarin hij vraagt om het openzetten van sluizen zodat het waterpeil behoorlijk zou stijgen. Dat zou het de Spanjaarden zeer bemoeilijken om te vechten, zich te verplaatsen, te slapen etc.. Maar hoe kon hij deze brief bij Sonoy krijgen?

En toen stond er een held op. De stadstimmerman Maarten Pieterszoon van der Mey trad naar voren en bood aan de brief te brengen. Hij kende de streek goed en zou proberen de brief bij Sonoy te krijgen. Dat betekende waden in het donker door het water en door rietkragen tussen de Spaanse linies door, en over sloten springen met de polsstok. Om te voorkomen dat de brief in handen zou komen van de Spanjaarden maakte hij in zijn polsstok een uitsparing waar hij de brief in verstopte. Het gat in de stok werd zorgvuldig dichtgemaakt. (Vandaag de dag is deze “polsstokbrief” van Cabeliau nog te zien in het Westfries Archief in Hoorn).

Op 2 september waagde van der Mey het erop. Met gevaar voor eigen leven zag hij kans om langs de Spaanse soldaten te sluipen en zijn weg naar Schagen te vinden. In Schagen trof hij Sonoy die hem door verwees naar Hoorn, waar de afgevaardigden van de Noordhollandse steden bijeen waren voor een vergadering. Deze heren waren niet van plan uit te voeren wat er in de brief verzocht werd. En om die reden werd Van der Mey naar Delft gestuurd voor overleg met Willem van Oranje, die moest de beslissing dan maar nemen.

De eerste kanonnen werden vanuit de stad zichtbaar. Don Frederik stuurde een boodschapper naar de stad om te overleggen met de vroedschap over een overgave. Er werd beloofd dat de burgers en de soldaten gespaard worden. De man werd echter teruggestuurd, het bestuur van Alkmaar geloofde niet meer in beloften van de Spanjaarden.

Op 18 september was het zover. In de schemering zetten de Spanjaarden hun geschut klaar en gingen in slagorde klaar staan. De stad kon vanuit vier windstreken worden aangevallen, en dat gebeurde ook. De kanonnen schoten op de Friese Poort, de Kennemerpoort, de Rode Toren, en daar werden ook bestormingen voorbereid.
In de stad was iedereen druk bezig met de verdediging te organiseren. Vrouwen, jongens, iedereen deed mee. De vrouwen maken pannen met heet zeepsop, pekelwater, kalkwater en pek klaar om van de stadsmuur naar beneden te gooien op de arme soldaten die naar boven wilden klimmen. Naar verluid was hier een 16-jarig meisje bijzonder moedig, Katrijn Rembrands. Zij deed sterk denken aan Kenau Simonsdochter Hasselaar uit Haarlem.
Op de muren gingen de hopmannen van Cabeliau, Duyvel en Steenwijck moedig voor in de strijd. De niet aflatende stroom van Spaanse soldaten op de muur werd tot staan gebracht en teruggeworpen met gebruik van stenen, brandende takken, brandende bezems, emmers met pek en kokende vloeistof en uiteraard met het zwaard en met de musket. De vrouwen waren actief met de verzorging van de gewonden. Alkmaar vocht voor zijn vrijheid.

De Spanjaarden zagen dat de bestorming niet goed ging. Ze trokken zich eenmaal terug om daarna opnieuw te stormen. Ook een tweede, en uiteindelijk ook een derde maal lukte het de Spanjaarden niet Alkmaar in te nemen, gepaard met grote verliezen. De stemming in het Spaanse kamp was niet best meer, de soldaten gingen liever niet vrijwillig naar de slachtbank, en hun officieren hadden moeite de discipline te handhaven.

En toen was er goed nieuws: Sonoy had op 23 september opdracht gegeven de sluizen bij Crabbendam te openen. Daardoor steeg het waterpeil rond Alkmaar snel. Op andere plaatsen waren dijken en dammen doorgraven, de gaten bewaakt door soldaten. Vanaf de kerktoren en de muren van Alkmaar kon men zien hoe de waterspiegel steeg. De Spanjaarden bleven stil, er werd geen poging gedaan tot bestorming. Sterker, de Alkmaarders zagen steeds minder teken van leven.

Maarten Pieterszoon van der Mey was naar Delft geweest. Hij had daar een onderhoud gehad met Willem van Oranje, die na een uitgebreid gesprek met de stadstimmerman direct het bevel tot doorsteken van de dijken op papier had gezet. Van der Mey moest daarna terug naar Schagen om dit bevel aan Sonoy te kunnen brengen. Na zijn succesvolle bezoek aan de prins en Sonoy wilde hij terug naar Alkmaar om daar de brief te laten zien, als bewijs van het feit dat hulp in aantocht was.
Vlakbij Alkmaar moest hij weer in de nacht langs rietkragen en waden door ondiepe wateren. Plotseling verloor hij zijn evenwicht en viel in een diep water. Spartelend en ijskoud wist hij de kant te bereiken, maar verloor daarbij de brief van Willem van Oranje, die hij in een zak van een varkensblaas bewaarde. In het duister vond hij zijn verborgen bootje terug.

De volgende ochtend zagen een aantal Spaanse wachters een vreemd pakje in het water drijven. Het bleken brieven te zijn die ze allengs naar hun veldheer brachten. Don Frederik liet ze terstond vertalen en schrok van de inhoud. Met het land onder water was een overwinning verder weg dan ooit. En tot overmaat van ramp bracht 26 september springtij.
Don Frederik gelastte 200 burgers uit Haarlem om mee te werken aan het vervoer van het grote materieel. De Spanjaarden begonnen met de aftocht.

De begindagen van oktober verdwenen er telkens delen van het leger. Geruchten deden de ronde van plunderende soldaten die zuidwaarts trokken. De Alkmaarders gingen er ook op uit om deze groepen te overmeesteren, en de geroofde buit terug te halen. De afgang was voor deze Spaanse soldaten compleet. En op 8 oktober was het zover. Er was geen Spanjaard meer te bekennen. Alkmaar was bevrijd!