Wat eraan vooraf ging.

In 1625 was stadhouder Maurits komen te overlijden, en hij werd opgevolgd door zijn jongere halfbroer Frederik Hendrik. Frederik Hendrik was een bekwaam veldheer die alle moderne technieken van de krijgskunst beheerste. Zijn specialiteit was het veroveren van steden door ze van de buitenwereld af te snijden en ze zo op de knieën te dwingen. Zijn bijnaam was dan ook: stedendwinger.

In september 1628 had Piet Hein de Zilvervloot veroverd op de Spanjaarden. Het betrof een kapitaal van ca. 11 miljoen guldens. Omdat Piet Hein deze verovering kon doen dankzij een kaperbrief van de Republiek, kwam het grootste deel van dit bedrag in de kas van de Republiek terecht. Het gaf Frederik Hendrik veel mogelijkheden om zijn opstand tegen Spanje te bekostigen. Andersom was Spanje hiermee een enorm bedrag kwijt, en was daarna niet meer in staat om een groot leger tegen de Republiek op de been te brengen. Spanje had meer oorlogen te voeren, en het had geen geld meer.

De Republiek was nog steeds niet “veilig”, er waren nog steeds belangrijke steden niet veroverd, en met name Den Bosch lag nogal dichtbij. Sinds de Schermersoproer in 1579 was Den Bosch definitief katholiek, en pogingen van Maurits in 1601 en 1603 om Den Bosch te veroveren waren mislukt.
Frederik Hendrik wilde dit nootje eindelijk kraken…..

Het verhaal van de Verovering van Den Bosch.

Den Bosch was een belangrijke stad door de ligging in de nabijheid van de Maas. Daardoor vormde het een gevaar voor de aanvoer van mensen en goederen via deze rivier naar de Republiek en met name het gewest Holland. In Holland woonden de meeste mensen en daar was ook het centrum van de handel waar de Republiek zo rijk van was geworden.
Den Bosch was voor de Spanjaarden heel belangrijk. Den Bosch betekende een heel bisdom, 40 kloosters, 140 dorpen en 200.000 onderdanen.
Een belangrijk voordeel van Den Bosch was het feit dat het tussen de moerassen lag. Daardoor was tot dan toe geen enkel leger erin geslaagd aanvallen te doen op de stadsmuren van Den Bosch. De bijnaam van Den Bosch was dan ook: de Moerasdraak. De moerassen beschermden Den Bosch van vele kanten, en dit was ook een punt van grote zorg voor Frederik Hendrik. Hoe moest hij die hindernis gaan nemen?

De oorlogvoering had zich enorm ontwikkeld, en met name de methoden om steden te veroveren waren sterk gemoderniseerd. Anders dan in het begin van de Opstand was het meer een strijd van de ingenieurs. Steden werden versterkt met grote vestingwerken waardoor een vijandelijk leger heel moeilijk de muren konden benaderen, vernielen en bestormen. Een beleg werd dan ook uitgevoerd door grote dijk-achtige wallen om een stad te leggen om de toevoer van goederen te voorkomen. Dit noemde men een circumvallatielinie. Deze lag buiten schootsafstand van de stadsmuren, en moest dus een hele grote cirkel vormen om de stad. Binnen deze linie lag de linie die de aanval op de stad moest verzorgen: de contravallatielinie. Deze lag dan ook enkele honderden meters dichter bij de stad. Immers, de kanonnen moesten vanuit deze linie wel degelijk de stad kunnen raken.
Om deze werken te kunnen bouwen in een korte tijd moesten er vele manschappen verzameld worden. Zulke versterkingen moesten snel gebouwd worden, voordat de vijand de bouw kon saboteren.

Frederik Hendrik had een leger opgebouwd voor de verovering van Den Bosch dat hij naar Nijmegen had verplaatst. De Spanjaarden konden niet precies weten wat hij van plan was, voor hetzelfde geld ging hij met dit leger zuidwaarts naar Limburg.
De strijdmacht telde 24.000 manschappen, 4.000 ruiters en 116 kanonnen. Na een laatste inspectie op de Mookerhei stond het leger op 1 mei voor de vestingwerken van Den Bosch. En toen moest er heel snel gewerkt worden. Van groot belang was de vesting Crevecoeur aan de monding van de Dieze, ten noorden van Den Bosch. Van daaruit kon Frederik Hendrik de aanvoer van goederen voor zijn beleg regelen.

Het leger begon met de aanleg van de circumvallatielinie. De ingenieurs hadden het verloop van deze 2 meter hoge dijk al voorbereid, en het moest een linie worden van maar liefst 45 kilometer! En om deze klus nog een stuk moeilijker te maken werd er buiten de linie een dubbele gracht gegraven. Hiermee kon Frederik Hendrik de riviertjes de Aa en de Dommel omleiden, zodat de moerassen rond Den Bosch niet meer gevoed werden met water. Nu hoefde men alleen maar het water uit het moeras te pompen in de gracht. Het leek erg op een inpoldering van Den Bosch.
De hele klus was in drie weken geklaard met 14.000 manschappen.

Nu moest het water nog uit het moeras. De Republiek was reeds actief met het droogmalen van polders in het noordelijk deel van Holland. Jan Adriaanszoon Leeghwater was een molenbouwer en waterbouwkundige. Hij had de leiding over het droogleggen van vele plassen als de Beemster, Purmer en de Schermer. En volgens zijn eigen informatie was hij ook betrokken bij deze klus in Den Bosch. De keuze voor het leegpompen was gevallen op rosmolens, molens met pompen die door paarden werden voortgedreven. Het water werd via slootjes naar de molens geleid, en door de molens naar de hoger gelegen grachten achter de circumvallatielinie gepompt. In totaal waren er ongeveer 23 molens voor nodig.

Maar er waren weinig paarden voor de rosmolens. De Spanjaarden waren in de tegenaanval gegaan. De Spaanse bevelhebber Hendrik van den Bergh had orders gekregen om Den Bosch te ontzetten. Pas eind juni kon hij beschikken over een leger voor Den Bosch, maar kreeg een ontzet niet voor elkaar. Samen met een leger van de Duitse keizer wist hij op 14 augustus Amersfoort te veroveren.
Frederik Hendrik reageerde door een deel van zijn bezettingsleger, voornamelijk ruiters te paard, naar de Veluwe te sturen om de aanvoer van goederen naar het Spaanse leger te stoppen. En deze tactiek lukte. Het Spaanse leger moest 10 dagen later opgeven en trok weg.

Ondanks het gebrek aan paarden konden de rosmolens toch doorwerken en het waterpeil in het moeras bleef dalen. Voldoende om loopgraven te graven richting de stad. Er lagen enkele forten rondom Den Bosch die belangrijk waren voor de verdediging. In het zuiden lagen de forten Isabella
en daar vlakbij fort Anthonie, en het bastion van Vught. In het Oosten lagen de versterkingen Hintham en Orthen. Frederik Hendrik nam de forten allemaal tussen medio juli en 11 september. Hiermee was Den Bosch kansloos geworden, en op initiatief van de gouverneur van de stad en de bisschop werd een start gemaakt met onderhandelingen. Op 14 september gaf Den Bosch zich over.

Anders dan bij de bloedige belegeringen van Alva 50 jaar eerder kregen de Spaanse soldaten genade en mochten met wapens de stad uit marcheren. Den Bosch was in Staatse handen, na een lange periode “onneembaar” geweest te zijn voor de opstandelingen. Het was voornamelijk verslagen door bouwkundige ingenieurs die in staat waren om in korte tijd enorme vesting- en waterwerken te bouwen, en het water uit de moerassen konden pompen.

Wat erop volgde.
De verovering had grote gevolgen voor het gebied rond Den Bosch. Het werd ingelijfd bij de Republiek en kwam dus los te staan van het hertogdom Brabant. Doordat de opstandelingen de controle over dit gebied hadden, lag tevens de weg vrij zuidwaarts. Zo kon Frederik Hendrik in 1632 langs de Maas naar het Zuiden trekken en Maastricht veroveren. De Spanjaarden waren zodanig verzwakt dat ze het gebied ook niet meer terug konden veroveren.

In de Vrede van Munster in 1648 werd het zogenaamde Staats Brabant definitief ingelijfd, waarbij het geen zelfstandige stem in de Statenvergadering kreeg, maar onder toezicht van de andere gewesten geregeerd werd. Dit noemde men een Generaliteitsland.