Wat eraan vooraf ging.

Het succes van de Slag bij Heiligerlee duurde maar kort, en de militaire plannen van Willem van Oranje komen maar niet van de grond. De Spaanse overmacht was groot. Een leger moest wel betaald worden, en Willem van Oranje worstelde met een gebrek aan geld. Wel was duidelijk dat een rebellenleger op zee succesvol kon zijn, en Willem stelde enkele edelen aan als admiraals over een soort piratenvloot, de “watergeuzen”. Zij konden in Engeland verblijven omdat de Engelse koningin dit stilletjes toestond. Spaanse schepen werden gekaapt, en de buit moest bij de prins worden ingeleverd als bron van geld voor het leger. Maar de eigenwijze geuzenleiders wilden dit niet en maakten hun eigen plannen. De geuzenleider graaf Willem van der Marck, heer van Lummen, bijgenaamd “Lumey”, een nogal wild en ongeduldig heerschap, had plannen om op eigen houtje een Hollandse of Zeeuwse stad te nemen. Willem van Oranje en zijn broer Lodewijk van Nassau hadden andere plannen, en waren tegen een op eigen houtje opererende geuzenvloot.
Maar begin 1572 besloot de Engelse koningin dat de geuzen toch de Engelse havens moesten verlaten.

Het verhaal van de verovering van Den Briel.

In maart 1572 voer Lumey met een vloot van 26 schepen op de Noordzee. 8 van deze schepen stonden onder bevel van Willem Blois van Treslong, en twee van deze schepen waren onderweg gekaapt. In totaal waren er nog geen 1.000 man aan boord. Eind maart woedde er een grote storm op de Noordzee, en de vloot werd door de wind richting de Maasmond gedreven.
Willem Blois van Treslong was geboren in Den Briel en kende de stad goed. Hij had met Lumey al eerder plannen gemaakt om Den Briel te veroveren. Nu werden de geuzen door de wind vanzelf richting deze stad gevoerd.

Den Briel, gelegen op het eiland Voorne, had ongeveer 3.500 inwoners en was een handelsplaats, rijk geworden door de handel op de Oostzee. Maar toen de geuzen naderden was Den Briel over haar hoogtepunt heen, ook omdat de watergeuzen de handel blokkeerden. En de visserij lag nagenoeg stil, de geuzen namen immers alles in beslag wat zij op zee tegenkwamen.

Op 1 april voer de bonte vloot van Lumey en Treslong richting de Maaslandse Sluis. Een koopvaarder, Jan Pieterszoon Coppelstok, die op dat moment enkele kooplieden per roeiboot naar Den Briel vervoerde, zag de vloot en herkende direct de geuzen. Hij zette zijn passagiers aan wal en voer naar de geuzen toe. Hij werd daar ontvangen door Treslong, die hem waarschijnlijk kende. Coppelstok vertelde aan Treslong en Lumey dat er geen Spaanse soldaten in Den Briel aanwezig waren. Deze waren enkele maanden daarvoor verplaatst naar Schiedam. En omdat de vissersvloot was uitgevaren waren er weinig sterke mannen aanwezig. Lumey en Treslong besloten om Coppelstok naar het stadsbestuur van Den Briel te sturen om een boodschap namens de geuzen te brengen. Als bewijs kreeg hij de zegelring van Treslong mee.

De vroedschap van Den Briel, de rijke mannen die de stad bestuurden, was toevallig bijeen en had direct besloten de poorten te sluiten. Het was immers geen pretje om de geuzen in huis te hebben. Niemand zat te wachten op een plundering door geuzen of de wraak van Alva. De burgemeesters Nicker en Koekkebakker ontvingen Coppelstok en hoorden hem aan. Coppelstok vertelde hen dat de geuzen met 5.000 man waren gekomen om Den Briel te bevrijden. De burgemeesters schrokken enorm van dat aantal. Zij vroegen 2 uur bedenktijd, en hoopten zichzelf en hun bezittingen in die tijd in veiligheid te kunnen brengen.
De geuzen waren strijdbaar. Zij legden hun schepen in de haven, en riepen de naam van de gehate hertog van Alva, “Duc d’Alve”, als zij de touwen met stroppen om de grote meerpalen legden. Vandaag de dag heet zo’n paal nog steeds Dukdalf! Lumey verzamelde zijn mannen voor de Noordpoort. Treslong vertrouwde de zaak echter niet en trok met zijn mannen naar de Zuidpoort. Hier zag hij dat veel welgestelde Briellenaren de stad uit vluchtten en hield ze tegen. Burgemeester Nicker was al gevlucht naar Brussel om Alva persoonlijk in te lichten.

Ondertussen hadden de mannen van Lumey de Noordpoort al in brand gestoken en ramden de poort open met een scheepsmast. De geuzen trokken zonder enig probleem de stad in en namen deze in bezit. De geuzenvlag wapperde al snel vanaf de toren, en de geuzen vierden hun overwinning uitbundig. Anders dan verwacht werd de stad niet geplunderd. Lumey verbood zijn mannen om burgers lastig te vallen. Wel werden kerken en kloosters geplunderd.

De reacties op het nieuws waren verschillend. Burgemeester Nicker hoorde Alva zeggen: “non es nada”, oftewel “dat stelt niks voor”. Wel zette Alva burgemeester Nicker gevangen omdat deze zijn plicht niet gedaan zou hebben. Lodewijk van Nassau, de broer van Willem van Oranje, reageerde geërgerd, de geuzen hadden op eigen houtje gehandeld. Zijn broer Willem van Oranje echter zag voordelen: hij schreef alle andere steden aan met een oproep om het voorbeeld van Den Briel te volgen.

Bossu, de stadhouder van de Spaanse koning in Holland, Zeeland en Utrecht wilde direct reageren. Hij stuurde direct soldaten vanuit Utrecht naar Den Briel om de stad te ontzetten. De Spaanse soldaten hadden weinig zin: zij hadden hun soldij al een tijd niet ontvangen. Maar Bossu zag in Den Briel een mooie kans om in één keer gehakt van de geuzen te maken. Op 4 april verzamelden de troepen zich in Vlaardingen en Schiedam, en staken over naar Den Briel.

De geuzen hadden inmiddels enkele maatregelen genomen om de stad beter te kunnen verdedigen. Zo waren bomen in de boomgaarden gekapt en daarmee een verdedigingswal aangelegd. Het leek wel een ongelijke strijd te worden, de Spanjaarden konden immers meer soldaten op de been brengen dan de geuzen in Den Briel. En de Spanjaarden begonnen de stad te omsingelen.
Er ontstond een vuurgevecht met de geuzen die zich achter de gekapte bomen hadden opgesteld. Tijdens dat gevecht ging Treslong met enkele soldaten oostwaarts om de schepen waarmee de Spanjaarden de Maas overgestoken waren in brand te steken. Daarmee was de terugtocht voor de Spanjaarden afgesneden.

De Spanjaarden rukten op naar Den Briel en er moest iets gebeuren om ze te stoppen. De storm was nog steeds niet gaan liggen en het water stuwde tegen de oever op. Toen stond Rochus Meeuwszoon de stadstimmerman op om een heldenrol te gaan vervullen. Hij sloop tussen al het geweld door naar de Nieuwlandse Sluis, en hakte deze met een bijl open. Het stuwende water liep door de sluis naar het laagliggende polderland, en de Spanjaarden moesten zich van de verdrinkingsdood redden en zochten de hoger gelegen dijken op. Daar waren zij een makkelijk doel voor de schutters vanaf de stadsmuren. De Spanjaarden raakten in paniek en vluchtten. Sommigen sprongen in het water en zwommen naar de schepen die in brand stonden, andere waadden door het slijk naar Dordrecht. Bossu was verslagen.

Bossu trok verder naar Rotterdam, waar zijn soldaten op 9 april op bloedige wijze wraak namen op de bevolking. Dit zorgde ervoor dat vele burgers overliepen naar de geuzen in Den Briel, en meer steden zich aansloten bij de opstand. Vele edelmannen droomden van een triomftocht in hun geboorteplaats zoals Treslong die had gekregen.

Al snel verschenen er pamfletten en spotprenten waarin stond: ”Den eersten dag van April, Verloor Duc d’Alve sijnen bril”. Ook werd er gesproken over het feit dat Alva een bril op de neus kreeg. Hiermee bedoelde men dat Alva een klem op zijn neus gezet kreeg. Als op 1 mei ook Terneuzen overstapt naar de geuzen, is dit grapje goed te begrijpen.

De martelaren van Gorkum.

Sterk verbonden aan het verhaal van Den Briel is het verhaal van de martelaren van Gorkum. Het begint op 26 juni van hetzelfde jaar als een van de geuzen Marinus Brandt naar Gorkum trekt om deze stad te veroveren. Na een kort gevecht nemen de geuzen de stad in, en nemen de monniken en paters gevangen. Deze worden daarna op 5 juli naar Den Briel gevoerd en bij Lumey gebracht. Lumey wilde dat zij hun katholieke geloof moesten afzweren.

De stadsraad stuurde hierop een brief naar Willem van Oranje die prompt op 7 juli naar Marinus Brandt reageerde met het bevel de geestelijken te sparen. Willem van Oranje was voor godsdienstvrijheid en wilde geen katholieken vermoorden. Brandt maakte een fout door een kopie van deze brief met een brief van hemzelf erbij naar Lumey te zenden. Had hij de echte brief doorgestuurd, dan was Lumey niet beledigd geweest. Lumey, zelf een edelman, vond dat Brandt een lagere burger was en dat hij niet het recht had zich op te stellen als een gelijke van Lumey. De trots en het heethoofd in Lumey kregen de overhand en hij liet 8 juli in de nacht de 21 geestelijken naar de ruïne van het klooster in het gehucht Rugge brengen. Daar zwoeren onder dwang twee hun geloof af, en de overige 19 werden daar opgehangen vanwege de trouw aan hun geloof. De volgende dag worden zij begraven in de verlaten turfschuur.

De “martelaren van Gorkum” zijn in 1675 door de paus zalig verklaard en heilig verklaard in 1876. Zij zijn een voorbeeld van de vele wreedheden die de geestelijken troffen gedurende de opstand. Tegelijk wordt hier duidelijk dat er ook veel haat bestond tegen de geestelijken. Enerzijds omdat de Spaanse inquisitie en de Bloedraad van Alva vele slachtoffers had gemaakt, anderzijds omdat de geestelijken in Zeeland zich zelf vaak niet hielden aan de regels van hun eigen kerk.

Wat erop volgde.

Zoals gezegd was de verovering van Den Briel een aanleiding voor meer steden om zich bij de opstand aan te sluiten, al dan niet gedwongen door de geuzen. Alva had zich zo gehaat gemaakt door zijn wrede behandeling van de calvinisten, zijn meedogenloze behandeling van de opstandige adel en zijn nieuwe belastingen als de Tiende Penning.
Vlissingen werd veroverd, Enkhuizen sloot zich aan. In vele steden werden geuzenleiders met hun mannen toegelaten. Middelburg werd belegerd maar zou nog enige tijd Spaans blijven.
Alva had aanvankelijk gereageerd met zijn “non es nada”, maar kwam toch spoedig in aktie. Om de illusies van de Hollandse en Zeeuwse steden de kop in te drukken richt hij een bloedbad aan in Mechelen, Zutphen en in Naarden. En dan rukt hij op naar Haarlem om deze stad op de knieën te dwingen.